MEER WETEN:

 

VOOR WIE?

DOOR WIE?

VOORWAARDEN

FAQ

CONTACT

 

CONSULT

 

COLUMN

"TWEELINGTAAL EN OUDERTAAL"


MEER LEZEN:

 

NIET ACHTER HET BEHANG, MAAR WAT DAN?

OPVOEDEN, ZO WERKT HET

MIJN KIND IS BANG

SAMEN ZWANGER

WEBLOG DIGITALE OO

NIEUWSBRIEF

 

CONSULT

Kleine kinderen ontwikkelen soms hun eigen taaltje met zelfbedachte woorden. Tweelingen versterken elkaar hier nog eens in, als zij elkaars woorden begrijpen. Dit verschijnsel wordt idioglossie of cryptofasie genoemd. Meestal neemt het verschijnsel af rond de vierde verjaardag.

Uit Australisch onderzoek blijkt dat tweelingkinderen minder woorden gebruiken om met elkaar te communiceren dan met andere kinderen of met volwassenen...

 

Dit is voor ons wel herkenbaar. Eén van de woorden, die Saskia en Lucia een paar maanden lang intensief gebruikten toen zij nog niet eens twee jaar oud waren, was ‘sies’. We hoorden hen dit vaak zeggen, maar wisten eigenlijk niet waarom. Totdat het ons opviel, dat als het ene kind dit woordje gezegd had, beide kinderen ruilden van speelgoed. Zat eerst de ene op het loopfietsje, dan zorgde het toverwoordje ‘sies’ ervoor dat de ander erop ging. Had eerst de een het rammelaartje of boekje vast, dan werd dat in alle gemoedelijkheid uitgewisseld als het woordje ‘sies’ was gezegd.

Heel mooi om te zien, hoe zulke kleine kinderen zoiets simpels kunnen bedenken voor zo’n ingewikkeld proces van geven en nemen. Tweelingen zijn hier sowieso wat vroeger mee dan eenlingen, wellicht omdat zij nog vroeger moeten leren samen te doen (met bijvoorbeeld de aandacht van de moeder).

Met een jaar of drie waren er toch nog wel ruzietjes over ‘mijn en dijn’ en raakte het woordje ‘sies’ in de vergetelheid. Maar een echt probleem om samen te delen en te spelen hebben ze nooit gehad.

Vaker bedenken ze allerlei plannetjes en verhaaltjes, waarmee hun onderlinge verbondenheid alleen nog maar versterkt wordt. Alledaags, als zij maar blijven doorkletsen, terwijl ik wil dat ze opschieten met eten. Ik kan me dan soms echt in de minderheid voelen, vooral als ik ‘alleen’ ben. Of minder alledaags, als zij me aan het raden zetten.

Laatst hadden ze een oud toetsenbord te pakken en op de grond gelegd boven aan de trap. “Mama, je mag er pas door als je de goede code hebt ingetoetst!” zei Lucia heel opgetogen om hun slimheid. Ik stond er wat hulpeloos bij: wat zou de goede code kunnen zijn??? Als ik haast had gehad, had ik de boel opzij geschoven en gezegd dat ik niet mee wilde spelen, maar nu besloot ik erachter te komen wat ze bedoelden. Misschien het woordje ‘code’? Nééé, de meiden proestten het uit! Natuurlijk niet (domme mama, hoor ik er dan achter). Eh, misschien mijn naam? Jááá, juichten ze. Ik toetste mijn naam en kwam erachter dat dat ‘mama’ moest zijn, want toen ik bij de c begon weerhielden zij mij daarvan, alsof hun of mijn leven ervan af hing. Goed, ‘mama’ ingetoetst en toen wilde ik over het toetsenbord heen stappen en naar beneden gaan. Maar Saskia trok me terug en zei dat ik natuurlijk nog niet klaar was. Nee, ‘natuurlijk’ niet… Gelukkig wilden Lucia en Saskia mij wel verder helpen. Eerst het vraagteken en dan het pijltje waar je naar toe wilt. De code was af. Pfff… ik mocht eindelijk mijn eigen trap af! 

Een ander recent voorbeeld. Saskia en Lucia zaten na het eten wat rekenspelletjes te doen tot het getal tien. Zoals dat tegenwoordig gaat, geen plussen en minnen, maar ‘erbij’ en ‘eraf’. Wat is vijf erbij vier? Wat is acht eraf twee? Opeens veranderde Saskia de spelregels en zei: ‘Wat is teen erbij teen?’ Lucia dacht eventjes na en zei toen: ‘vier!’. ‘Goed zo’, zei Saskia. Lucia kreeg nu ook de smaak te pakken: ‘Wat is neus eraf duim?’ Saskia antwoordde na enkele seconden: ‘zes!’ ‘Ja, dat is goed’, zei Lucia.

Eerst dacht ik dat ze maar wat aan het dollen waren, maar toen kregen ze wat onenigheid rond de vraag ‘Wat is zoen eraf voet?’. Ik werd erbij geroepen om het pleit te beslechten, maar ik begreep totaal niet waar ze het over hadden. Direct werd ik door beide kinderen getest: ‘Je snapt toch wel wat teen erbij duim is?’ ‘Heeft het iets te maken met getallen?’ vroeg ik aarzelend. ‘Ja, het antwoord is vijf!’ zeiden ze enthousiast, nu weer medestanders in plaats van tegenstanders.

Saskia legde het me een beetje uit: ‘Nu hebben we een probleem, want vier en vijf begint allebei met een v. En zes en zeven allebei met een z. En daarom kan het niet.’

Snapt u het? Zij begrepen elkaar zonder enig overleg.

Het klinkt vaak leuk, maar het is niet bevorderend voor de taalontwikkeling van kinderen om als volwassene met hun zelf verzonnen taal mee te gaan praten. Enkele tips om de taalontwikkeling van je kinderen te bevorderen:

1. Spreek je kind individueel aan, vooral als het gaat om voorkeuren of meningen. Dus niet "Wat willen jullie drinken?". Maar wel: "Wat vond jij daarvan?"
2. Geef je kind individueel instructies. Dus niet "Ruim eens op, jullie!", maar: "X, ruim jij de gang op? Y. wil jij dan de tafel doen?"
3. Creëer situaties, waarin je met één kind apart iets kunt ondernemen; zoals een wandeling, naar de winkel, in bad. Besteed dan actief aandacht aan dit kind.
4. Bedank en beloon kinderen afzonderlijk en concreet. Dus niet alleen: "Wat waren jullie lief vandaag", maar vooral ook: "X, wat heb jij mij goed geholpen met de boodschappen!"
5. Als je met beide kinderen speelt en praat, houd dan de beurt bij één kind tot het klaar is voordat de beurt overgaat naar de ander. Op deze manier is het gesprek veel rustiger en aandachtiger.
6. Geef je kind ook tijd om na te denken en blijf dan contact houden, als je in gesprek bent. Laat je niet afleiden door de ander. Wees er alert op wanneer het gesprek echt klaar is.

Overigens praten niet alleen kinderen op hun eigen manier. Ook als (echt-)paar en als ouders houd je er soms een vreemd taaltje op na. Wij wisselden, toen de kinderen kleiner waren, regelmatig een blik van verstandhouding als we zeiden: “Cold turkey?” “Cold turkey!” Daarmee bedoelden we: in één keer stoppen met het flesje melk vlak voor het slapen. In één keer stoppen met de luier overdag. In één keer ophouden met uit bed pakken ’s nachts.

Bij het inpakken voor een vakantie, doen wij ook iets wat andere mensen wellicht vreemd zouden vinden. Eén van ons houdt twijfelend een voorwerp omhoog en de ander roept: “Nee!” of “Mee en om!” Met dat laatste vatten we samen: “Beter mee dan om verlegen”, inpakken dus.

© Christa Nieuwboer

Deze column is eerder verschenen in het Meerlingen Magazine.

De namen van de kinderen zijn gefingeerd.

   

 © DE OUDERSCHAPSCOACH 2005-2010

naar boven