|
Dit is voor ons wel herkenbaar. Eén van de woorden, die Saskia en
Lucia een paar maanden lang intensief gebruikten toen
zij nog niet eens twee jaar oud waren, was ‘sies’. We
hoorden hen dit vaak zeggen, maar wisten eigenlijk niet
waarom. Totdat het ons opviel, dat als het ene kind dit
woordje gezegd had, beide kinderen ruilden van
speelgoed. Zat eerst de ene op het loopfietsje, dan
zorgde het toverwoordje ‘sies’ ervoor dat de ander erop
ging. Had eerst de een het rammelaartje of boekje vast,
dan werd dat in alle gemoedelijkheid uitgewisseld als
het woordje ‘sies’ was gezegd.
Heel mooi om te zien, hoe zulke kleine kinderen zoiets simpels
kunnen bedenken voor zo’n ingewikkeld proces van geven
en nemen. Tweelingen zijn hier sowieso wat vroeger mee
dan eenlingen, wellicht omdat zij nog vroeger moeten
leren samen te doen (met bijvoorbeeld de aandacht van de
moeder).
Met een jaar of drie waren er toch nog wel ruzietjes over ‘mijn en
dijn’ en raakte het woordje ‘sies’ in de vergetelheid.
Maar een echt probleem om samen te delen en te spelen
hebben ze nooit gehad.
Vaker bedenken ze allerlei plannetjes en verhaaltjes, waarmee hun
onderlinge verbondenheid alleen nog maar versterkt
wordt. Alledaags, als zij maar blijven doorkletsen,
terwijl ik wil dat ze opschieten met eten. Ik kan me dan
soms echt in de minderheid voelen, vooral als ik
‘alleen’ ben. Of minder alledaags, als zij me aan het
raden zetten.
Laatst hadden ze een oud toetsenbord te pakken en op de grond
gelegd boven aan de trap. “Mama, je mag er pas door als
je de goede code hebt ingetoetst!” zei Lucia heel
opgetogen om hun slimheid. Ik stond er wat hulpeloos
bij: wat zou de goede code kunnen zijn??? Als ik haast
had gehad, had ik de boel opzij geschoven en gezegd dat
ik niet mee wilde spelen, maar nu besloot ik erachter te
komen wat ze bedoelden. Misschien het woordje ‘code’?
Nééé, de meiden proestten het uit! Natuurlijk niet
(domme mama, hoor ik er dan achter). Eh, misschien mijn
naam? Jááá, juichten ze. Ik toetste mijn naam en kwam
erachter dat dat ‘mama’ moest zijn, want toen ik bij de
c begon weerhielden zij mij daarvan, alsof hun of mijn
leven ervan af hing. Goed, ‘mama’ ingetoetst en toen
wilde ik over het toetsenbord heen stappen en naar
beneden gaan. Maar Saskia trok me terug en zei dat ik
natuurlijk nog niet klaar was. Nee, ‘natuurlijk’ niet…
Gelukkig wilden Lucia en Saskia mij wel verder helpen.
Eerst het vraagteken en dan het pijltje waar je naar toe
wilt. De code was af. Pfff… ik mocht eindelijk mijn
eigen trap af!
Een ander recent voorbeeld. Saskia en Lucia zaten na het eten wat
rekenspelletjes te doen tot het getal tien. Zoals dat
tegenwoordig gaat, geen plussen en minnen, maar ‘erbij’
en ‘eraf’. Wat is vijf erbij vier? Wat is acht eraf
twee? Opeens veranderde Saskia de spelregels en zei:
‘Wat is teen erbij teen?’ Lucia dacht eventjes na en zei
toen: ‘vier!’. ‘Goed zo’, zei Saskia. Lucia kreeg nu ook
de smaak te pakken: ‘Wat is neus eraf duim?’ Saskia
antwoordde na enkele seconden: ‘zes!’ ‘Ja, dat is goed’,
zei Lucia.
Eerst dacht ik dat ze maar wat aan het dollen waren, maar toen
kregen ze wat onenigheid rond de vraag ‘Wat is zoen eraf
voet?’. Ik werd erbij geroepen om het pleit te
beslechten, maar ik begreep totaal niet waar ze het over
hadden. Direct werd ik door beide kinderen getest: ‘Je
snapt toch wel wat teen erbij duim is?’ ‘Heeft het iets
te maken met getallen?’ vroeg ik aarzelend. ‘Ja, het
antwoord is vijf!’ zeiden ze enthousiast, nu weer
medestanders in plaats van tegenstanders.
Saskia legde het me een beetje uit: ‘Nu hebben we een probleem,
want vier en vijf begint allebei met een v. En zes en
zeven allebei met een z. En daarom kan het niet.’
Snapt u het? Zij begrepen elkaar zonder enig overleg. |